Tijdens de afsluitende middag van Sasse deel van het ‘Krot of Kans’ project verzorgde ik een bustour voor ongeveer 40 mensen  door de Zeeuws Vlaamse kanaalzone. We reden vanaf Sas van Gent naar het noorden, langs het kanaal en kwamen bij Sluiskil uit. Ik beschreef het dorp als het meest direct met de industrie verbonden dorp van de regio. Het beeld uit het raam illustreerde mijn verhaal: de structuren van het eiland van Sluiskil, de oude Cokesfabriek en de Yara aan de overkant domineerden de horizon. Ik hield tijdens mijn verhaal een snelle peiling. ‘Wie zou er graag in Sluiskil willen wonen?’ -Geen reactie. ‘Wie zou er zeker niet in Sluiskil willen wonen?’ -Ik zag ruim 30 handen de lucht ingaan. Het resultaat schokte me enigszins. Sluiskil is inderdaad een typische plek, maar ik verwachtte niet dat het dorp zo’n slecht imago had.

Wat voor Sluiskil geldt, is tot op zekere hoogte illustratief voor de gehele Zeeuws Vlaamse Kanaalzone: de woonkwaliteit van de regio wordt negatief beoordeeld vanwege de grote aanwezigheid van industrie en logistiek. De bedrijvigheid rond het kanaal geeft geluid- geur- en lichtoverlast, industriële complexen staan qua schaal in schril contrast ten opzichte van kleine dorpjes en het kanaal vormt een hinderlijke fysieke barrière tussen oost en west.

Vanwege deze negatieve beoordeling zou je verwachten dat beleidsmakers alles op alles zetten om juist in dit gebied de omgevingskwaliteit te stimuleren. Het is namelijk belangrijk dat mensen behalve in dit gebied werken er óók willen wonen. Waar komen anders alle arbeiders van de Zeeuws Vlaamse fabrieken en ondersteunende bedrijven vandaan? Toen dus het nieuwe omgevingsplan van de Provincie Zeeland 2012-2018 ter inzage werd gelegd, keek ik reikhalzend naar de passages over de Zeeuws Vlaamse Kanaalzone. Ik raakte enigszins teleurgesteld en ben daarom maar in mijn pen geklommen. Bij deze.

———————————-

‘Land in Zee’ -een kritische reflectie

Het ontwerp-omgevingsplan 2012-2018 (klik hier), dat de provincie Zeeland momenteel ter inspraak heeft gelegd en later dit jaar hoopt te bekrachtigen, is opgebouwd rond een sterke visie, maar mist voor deelregio’s –zoals voor de Zeeuws Vlaamse Kanaalzone- haar doel. Het plan gaat te veel uit van de sterktes en zwaktes van de bestaande situatie en wanneer dit plan wordt gevolgd, zullen deze te veel worden vergroot. Een onwenselijke regionale functiescheiding zal het gevolg zijn. Om het welvaren van de provincie te garanderen, zou een meer holistische benadering per regio op zijn plaats zijn waarin variatie in sectoren en activiteit per deelgebied worden gestimuleerd. Met dit artikel hoop ik de provincie tot een andere benadering te verleiden.

Wat is ook alweer een omgevingsplan en in hoe verre is het belangrijk voor de regionale situatie in Zeeland? -Het omgevingsplan omvat de provinciale visie op Zeeland en welke onderwerpen de komende jaren voor de Provincie belangrijk zijn. Het is dus het provinciaal beleidsplan voor ruimte, milieu, water en natuur. Na vaststelling dienen Zeeuwse gemeenten zich vanaf eind 2012 te schikken langs de lijnen die de provincie in dit plan heeft uitgezet. Het omgevingsplan doet er dus toe.

 

‘Land in Zee’

De provinciale visie is in het omgevingsplan samengevat in de typering ‘Land in Zee’: ‘Zeeland leeft op de verbinding tussen land en zee. Vanuit de ligging van het Zeeuwse land, met overal de zee dichtbij, zijn unieke kwaliteiten en ontwikkelingen ontstaan. Het benutten van die kwaliteiten en het toegankelijk maken daarvan, krijgt invulling vanuit het idee dat Zeeland ‘Land in Zee’ is. Het Zeeuwse land is puur mooi en divers. Het staat symbool voor de nuchtere, betrouwbare en authentieke kant van Zeeland. De zee is ruig onstuimig en uitdagend.’ –Aldus de provincie in het omgevingsplan.

Deze visie wordt vervolgens uitgewerkt in drie deelthema’s: ‘Bloeien op Land en in Zee’, ‘Produceren op Land aan Zee’ en ‘Beleven van Land en Zee’. Dit zijn op zichzelf legitieme thema’s die -parallel aan de klassieke economische sectorenopdeling- daadwerkelijk het soort activiteit in Zeeland samenvatten. Er is veel activiteit in de Zeeuwse landbouw en visserij (wat in de visie onder ‘Bloeien’ wordt geschaard,) er wordt veel geproduceerd in Zeeuwse havens en steden en er is een grote ‘belevingssector’ langs de kust, maar ook in oude stadjes zoals Zierikzee, Veere, Hulst en Sluis.

Het gaat mis wanneer deze thematische opdeling óók een indeling naar geografie blijkt te zijn. Een schets van Zeeland toont dat ‘Beleven van Land en Zee’ alléén aan de Noordzeekust en rond het Veerse meer plaatsvindt, ‘Produceren’ is voorbehouden aan het geografische hart van Zeeland, bestaande uit Middelburg, Vlissingen, Goes en Terneuzen en de havens van Vlissingen en Terneuzen en ‘Bloeien op Land en in Zee’ vindt in een groot gebied aan de oostkant van de provincie.

Ook in de beschrijvende tekst wordt de geografische ligging direct gekoppeld aan het thema. Zo wordt in de tekst over het thema en gebied ‘Bloeien op Land en in Zee’ óók meegenomen dat het gebied dichtbij de oostgrens van Zeeland ligt en het ‘niet alleen profiteert van wat er in Zeeland gebeurt, maar ook de ontwikkelingen over de grens benut’. Betekent dit dat gewassen meer ‘bloeien’ als deze ontwikkelingen over de grens worden benut? –Trekken appelbomen zich wat aan van provinciegrenzen?

Ook binnen Zeeland is de combinatie van thematische en geografische opdeling te chargerend. Het thema ‘Bloeien op Land en in Zee’ is bijvoorbeeld niet per se uniek voor het bijbehorende gebied. Alsof de akkers elders in Zeeland, bijvoorbeeld in West-Zeeuws Vlaanderen, niet bloeien. Hetzelfde geldt voor de andere twee gebieden: het dagtoerisme in de stad Hulst, geografisch gezien onderdeel van ‘Bloeien op land en in zee’, is thematisch gezien beter te scharen onder ‘Beleven van Land en Zee’, en ten slotte wordt in de zone van ‘Produceren op Land aan Zee’ zeker niet alléén geproduceerd. In hun streven om regio’s een sterk profiel te geven, hebben de opstellers een niet steekhoudende combinatie van geografische én thematische indeling gebruikt.  Minder dominante kwaliteiten worden eenvoudigweg opzijgeschoven.

 

Functiescheiding of totaalbenadering?

Niet alleen doet de geografische toewijzing van thema’s geen recht aan de huidige situatie van Zeeland, het kan óók geen wensbeeld zijn om een al dan niet bestaande provinciale functiescheiding aan te wakkeren. Juist de mengeling van verschillende thema’s van gebieden maakt een regio zo interessant. Het is een beleving om iets te zien bloeien (spreekt het omgevingsplan niet van een mogelijkheid tot opstart van een Visserij experience?), er kan iets bloeien tussen de beleving of productie (hoe is anders het  glastuinbouwproject nabij Westdorpe te typeren, waarin restwarmte en CO2 van de industrie gekoppeld zijn aan de groei en bloei van tomaten en paprika’s?) en jawel: productie is óók om te beleven. In dat opzicht is het is vreemd dat attracties als het Portaal van Vlaanderen en het nog te vestigen Zeeuws Industriemuseum in het omgevingsplan van Zeeland ontbreken. Zijn deze niet van belang?

Vijftig jaar nadat de functiescheiding in landschapsontwerp en architectuur zijn opgang maakte, is duidelijk geworden dat het niet het ideale model is om een stad of streek vorm te geven. Neem de Rotterdamse Lijnbaan, een winkelcomplex waar strikte functiescheiding tot het extreme is doorgevoerd. Winkelend publiek, vrachtverkeer en woonblokken zijn strikt gescheiden. Het gevolg is dat de expeditiestraat onveilig is, want er komt alléén een enkele vrachtwagen en de Lijnbaan zelf is na sluitingstijd van de winkels uitgestorven en biedt een desolate indruk. Geen wonder dat het moeilijk is om de woonflats tussen deze monoculturen gevuld te houden. Het is de vraag of Zeeland op een landschappelijke equivalent zit te wachten. Is alléén ‘Beleven van Land aan Zee’ niet gewoon erg saai? Willen we streken met louter agrarische bestemming? Is het slim om beleid te voeren waarin productie wordt geconcentreerd en daarmee het lokale landschap en de arbeidsmarkt nóg eenzijdiger wordt ingericht?

Mijn analyse is dat de streken van Zeeland dan wel verschillend zijn, maar zonder uitzondering combinaties bevatten van de drie thema’s. Daarnaast is een beleidsplan er niet om alléén bestaande trends te versterken. Je kan je afvragen of de kuststrook van Zeeland er wel bij gebaat is als deze zich nog méér ontwikkelt als ‘belevingsgebied’. Rij in een winterse maand eens langs Renesse en kijk of er daadwerkelijk zo veel te beleven valt. Het zou voor deze streken een zegen zijn als er ook buiten het ‘beleefseizoen’ activiteit te ontwaren is.

Hetzelfde geldt voor de Zeeuws Vlaamse Kanaalzone, waar ik vandaan kom en waarmee ik me sterk verbonden voel. Voor het CBK Zeeland voer ik momenteel onderzoek uit naar de inpassing van industrie in het landschap. De vraag is hoe met landschappelijke ingrepen enerzijds de omgevingskwaliteit voor bewoners en anderzijds de recreatieve waarde voor bezoekers wordt vergroot. Deze omgevingskwaliteit, die ik chargerend ook onder ‘Beleven van Land en Zee’ schaar, zou juist in deze zone proactief moeten worden bevorderd. Een analyse van de bedrijvigheid in de Zeeuws Vlaamse Kanaalzone, toont dat namelijk het niet ontbreekt aan goede infrastructuur, ruimte of ontwikkelingskracht, maar aan een herkenbaar imago en aan mensen die naast de fabrieken willen wonen. Het bieden van een prettig woonklimaat waar mensen na een dag werken willen thuiskomen, zou als integraal onderdeel van het economische complex rond de Zeeuws Vlaamse Kanaalzone moeten worden opgevat. Om te scoren op het thema ‘Produceren op Land aan Zee’, moet aldus óók de beleving van de plek worden versterkt. Het in het ontwerp-omgevingsplan genoemde streven om de huidige omgevingskwaliteit bij verdere ontwikkeling van de Kanaalzone op gelijk niveau te behouden, is daarbij niet genoeg, het moet beter worden.

Ondanks mijn kritiek op de analyse en beleidsdoelstellingen, blijft het prijzenswaardig dat de provincie zich heeft ingespannen om een nieuwe visie neer te leggen. De basisgedachte van ‘Land in Zee’, waarin landschappelijke, culturele en ondernemende kwaliteiten van Zeeland worden samengevat, slaat de spijker op zijn kop. Het is jammer dat in de uitwerking een thematische en geografische opdeling hinderlijk zijn gecombineerd: dit doet geen recht aan de huidige staat van Zeeland en kan zeker geen streefbeeld zijn. Het is beter om te beseffen dat regio’s dan wel verschillend zijn, maar altijd een mix vormen van verschillende soorten landschap en activiteit. Sterker nog: het ene kan niet zonder het andere. ‘Beleven’, ‘Bloeien’ en ‘Produceren’ zouden als  complementaire grootheden dienen te worden beschouwd die per plek afgestemd dienen te worden. Ik moedig de provincie aan om het omgevingsplan op deze punten opnieuw te beschouwen en daarmee tot een nóg betere visie te komen voor ons prachtige ‘Land in Zee’.

Pepijn Bakker, mei 2012

 

Pepijn Bakker is geboren in Hoek, groeide op in Terneuzen en is architect en onderzoeker te Rotterdam. Voor CBK Zeeland onderzoekt hij de landschappelijke inpassing van de industrie en logistiek in het Zeeuws Vlaamse landschap. Medio juli 2012 verschijnt het eindverslag.